Wilgen
Zij staan daar al zo lang zij stonden
van oudsher aan de kant, wilgen aan 't water.
Wie takken snijdt maakt stille wonden
voor nieuwe groei in de zachte sneden, later.
De wilgentakken, kaal maar buigzaam en nog levend
geven zich, als aan een leger, over aan de vele handen.
Aan armen, ogen, monden, in hun landschap tredend
om wat er is te binden, samen bidden, niet te branden.
Men vlecht de ranke takken één aan één, en weegt
de zwaarte van een lichaam, een gestalte, of alleen
om er te zijn, in helder licht, in wind die oude akkers veegt;
en vindt met deze arbeid wat hier aan ambacht ooit verdween.
Zij zijn gekomen voor een schuilplaats, herberg, kathedraal
op dit grasland, deze dijk, het oude fort, de hoge bomen.
Dan daalt de zon, de populieren wuiven voor 't avondmaal
en wie heengaat zal geruisloos van de wilgen dromen.
King Lier ( Frank van Lier )
King Lier Nacht van de Poezie 2009 Fort de Hel